Deel 1: Theorie

Wat is creativiteit?

De wetenschappelijke studie van creativiteit begon al aan het einde van de 19de eeuw, maar er is (nog) geen algemeen aanvaarde definitie. Een van de meest gebruikte is die van Amabile (1983, p. 33, in McIntyre, 1993, p. 33). Een creatief idee moet origineel zijn: ongewoon en vernieuwend. Het moet ook nuttig zijn: als het niet bruikbaar is, is het niet creatief. Stein (1974) legt uit dat het nut praktisch, esthetisch of theoretisch kan zijn.

Vele mensen vinden van zichzelf dat ze niet creatief zijn. Maar creatief zijn kan iedereen en hoe meer je oefent, hoe beter je wordt (Bailey, 2007; Glăveanu, 2011; Flanders DC, 2011a; Stein, 1974). Het is wel zo dat sommigen gemakkelijker creatief denken dan anderen. Maar wie minder aanleg heeft, kan het nog altijd leren.

Waarom heb je creativiteit nodig?

Velen denken dat creativiteit alleen interessant is in de kunstwereld. Ik ben ervan overtuigd dat iedereen er baat bij heeft.

Creativiteit kan je gebruiken in je privéleven en voor het werk. Naast problemen oplossen kan je ook ideeën vinden voor je ontwerpen, marketingstrategie of eender welk project. Of het nu is om een verslag te schrijven of een evenement te organiseren, je baas zal je dankbaar zijn als je eens ‘out of the box’ denkt (tenzij je van plan bent om zijn of haar functie in te nemen, natuurlijk).

Waarschijnlijk gebruik je je creativiteit veel vaker dan je denkt. Moet je soms schuiven met afspraken in je agenda? Hoe puzzel je die in elkaar? Je raadt het al: je gebruikt daarvoor je creatief denkvermogen. Nadat je dit boek gelezen hebt, zal je er vaker bij stilstaan wanneer je creativiteit gebruikt. Vergeet dan niet de technieken en tips uit dit boek toe te passen!

Hoe ontstaat creativiteit?

We denken in patronen. Daarom maken we vaak veronderstellingen die niet kloppen. Om creatief te zijn, moeten we die doorbreken. “You must unlearn what you have learned”, zoals Yoda het zegt.

Een creatief idee ontstaat altijd uit bestaande ideeën. Daarvoor is het handig om jezelf zoveel mogelijk te stimuleren met zintuiglijke indrukken. Bijvoorbeeld door boeken, muziek, tentoonstellingen, gesprekken, …

Om iets nieuws te vinden, is aandacht essentieel (Schweizer, 2004). Stimulerende middelen als nicotine, cocaïne en amfetamines kunnen concentratie beïnvloeden (Schweizer, 2004, p. 68)
. Creatieve mensen zijn meer gefocust of meer afgeleid dan andere mensen. Ze hebben vaak geen gemiddeld concentratievermogen. Het komt er dus op aan om de juiste focus te vinden.

Hoe kan je creativiteit stimuleren?

Zoals ik al zei, is het mogelijk om creativiteit te stimuleren (Bailey, 2007; Glăveanu, 2011; Flanders DC, 2011a; Stein, 1974). Maar dat gaat niet bij iedereen op dezelfde manier. Sommigen werken beter met muziek, anderen in stilte. Sommigen werken beter in een opgeruimde kamer, anderen in een rommelige. Wie creatief wil werken, gaat best op zoek naar omstandigheden waarin hij of zij het meest productief is. Een goede portie zelfkennis is dus handig.

Er zijn minstens drie stappen in de stimulatie (De Vos, 2011, p. 152): eerst afstand nemen van de vraag, dan andere domeinen en denkpatronen verkennen en ten slotte nuttige ideeën genereren vanuit de andere denkpatronen. De Vos (ibid.) geeft steeds de aanbeveling ‘force to fit’: voeg concepten samen. Dit kan soms onmogelijk lijken, maar het blijven proberen is de moeite waard.

Omgevingen

Omgevingen kunnen creativiteit erg bevorderen of beperken. Nadelige omstandigheden voor creativiteit zijn te veel bureaucratie, gebrek aan respect (vooral voor originaliteit), beperkingen, te weinig autonomie, tekort aan ‘resources’, ongepaste normen, projectmanagement, feedback, tijdsdruk, competitie en onrealistische verwachtingen (Runco, 2004, p. 662). Ze beperken niet noodzakelijk de creativiteit, maar kúnnen die beperken. Competitie kan bijvoorbeeld zowel positief als negatief zijn (Watson, 1968, in ibid.), afhankelijk van de interpretatie door de persoon. Middelen zijn soms nodig en soms helemaal niet. Kunnen kiezen uit middelen maakt alleszins wel creatiever (Amabile & Gitomer, 1984, in Coleman & Colbert, 2001). Ook nadelig voor creativiteit is de angst om gestraft te worden voor mislukkingen. Door angst durf je geen risico’s te nemen en is de kans kleiner dat je iets nieuws zal vinden. Omgevingen moeten creativiteit dus stimuleren  (Montuori, 2011).

Fysieke en emotionele omgevingen

Coleman en Colbert (2001) maken een onderscheid tussen fysieke en emotionele omgevingen. Voordelige fysieke omgevingen zijn bijvoorbeeld kamers met uitzichten die creatief denken kunnen stimuleren (Ward, 1969, in Coleman & Colbert, 2001; Farnham, 1994, in Coleman & Colbert, 2001), objecten of decoratie. Dit is vooral belangrijk als mensen rond zich kijken op zoek naar inspiratie (LaGreca, 1980, in Coleman & Colbert, 2001; Mohan, 1971, in Coleman & Colbert, 2001). Emotionele omgevingen zijn bijvoorbeeld die waarin werknemers gestimuleerd worden om ideeën te uiten (Wallach, 1967, in Coleman & Colbert, 2001, p. 8; Rogers, 1954, in Coleman & Colbert, 2001, p. 8), zich veilig voelen en niet bang zijn voor de gevolgen van mislukkingen (Faulkes, 1975, in Coleman & Colbert, 2001, p. 8; Wallach, 1967, in Coleman & Colbert, 2001, p. 8; Montuori, 2011). Het is nadelig voor de creativiteit als een persoon weet dat hij of zij geëvalueerd zal worden en/of negatieve kritiek zal krijgen (Stein, 1974). Let vooral op voor ‘idea killers’ of ‘dooddoeners’:

“Wat een belachelijk idee.”
“Dat is te duur.”
“Dat had ik zelf ook kunnen bedenken.”
“Dat lukt ons nooit.”
“Ja, maar …”
“Nee.”

Zulke reacties moet je absoluut vermijden.

Dopamine

Middelen die de aanmaak van het hormoon dopamine stimuleren, kunnen ‘novelty-seeking’ stimuleren. Voorbeelden zijn cocaïne, amfetamines, nicotine en cafeïne. Middelen die creativiteit in het algemeen kunnen stimuleren zijn dromen, koffie, alcohol en ‘mind- expanding drugs’ zoals THC en LSD (Stein, 1974). Opgelet: deze middelen helpen niet bij iedereen en ik raad ze ook niet allemaal aan.

Probleemdefinitie

“One can more easily escape from something definite than from something vague” (De Bono, 1990, p. 108-109). Als het dominante idee geïdentificeerd is, is het makkelijker om te ontsnappen aan strakke patronen en om alternatieven te vinden (ibid.). “It is only when one becomes aware of the framework that one can generate an alternative point of view outside it. The dominant idea resides not in the situation itself but in the way it is looked at” (De Bono, 1990, p.109).

Vragen voor probleemdefinitie

  • Wie? (Voor wie is het een probleem?)
  • Wat? (Zijn er ook positieve elementen? Welke zijn de context en de details?)
  • Waar? (Waar is het begonnen? Waar bevindt het zich nu?)
  • Wanneer? (Wanneer is het begonnen?)
  • Waarom? (Waarom is het een probleem?)
  • Hoe? (Hoe is het probleem ontstaan? Hoe is het geëvolueerd?)

Lateraal denken

Denken doe je om effectief te zijn, niet om juist te zijn. Bij lateraal denken mag je verkeerd zijn tijdens het proces, als je maar juist bent op het einde. Daarom kan je best niet oordelen tijdens het proces van lateraal denken. Het is beter om een heleboel ideeën te hebben en enkele verkeerde, dan helemaal geen ideeën (De Bono, 1990, p. 96). Dankzij het uitstellen van de beoordeling zullen ideeën langer overleven en kunnen ze zo andere ideeën opwekken. Als een idee echt té fout lijkt, gaat men zich afvragen waarom het zo fout is. Maar men zou zich beter afvragen hoe het idee wel bruikbaar zou kunnen zijn (ibid., p. 97).

Alternatieven

Wie lateraal denkt, zoekt naar alternatieven (De Bono, 1990). Stop niet als je een alternatief gevonden hebt, maar ga door met zoeken. Zo leer je om niet zo strak te denken. Er zijn altijd alternatieven, je moet ze gewoon zoeken.

Deviators

“Een deviator is een directe manier om anders tegen je probleem aan te kijken. Eenmaal de afwijkende vraag gesteld, levert dit concrete ideeën op voor de vraagstelling” (De Vos, 2011, p. 119). Het zijn dus nieuwe invalshoeken die kunnen helpen om nieuwe ideeën te vinden. De Vos (2011, p. 119, geparafraseerd) somt elf deviators op.

  1. Maak de opdracht moeilijker: Formuleer een ambitieuzere doelstelling, stel de situatie veel erger voor of voer extra beperkingen in.

Als je geen oplossingen vindt voor je probleem, is het mogelijk dat je probleemstelling te breed is. Gebruik beperkingen.

Voorbeelden:

  1. Maak de opdracht veel gemakkelijker: Maak de doelstelling gemakkelijker of stel de situatie veel gemakkelijker voor.
  2. Vertrek vanuit een ideale situatie: Gratis, nu, zelf, geen inspanning, simpel, meer voordelen of meer van alles. Haal hieruit haalbare ideeën.
  3. Maak de kwestie complexer: Combineer functies of koppel componenten. Dit is een meerwaarde, geen struikelblok.
  4. Benut de schadelijke effecten: Maak schadelijke effecten productief.
  5. Denk als een luiaard: Hoe kan je meer bereiken met minder inspanningen? Is selfservice mogelijk?
  6. Schuif op de abstractieladder: Een waarom-vraag duwt je omhoog op abstractieladder, een hoe-vraagt duwt je omlaag.
  7. Herschik de componenten: Wat zijn de basiscomponenten van je situatie? Stel die visueel voor. Herschik ze, speel ermee en zie wat de herschikking veroorzaakt.
  8. Waar zit de tegenstelling? Zoek naar contradicties in de probleemsituatie en formuleer die in een vraagstelling.
  9. Bedenk oplossingen voor die vraagstelling: vb. Hoe winst genereren als meer klanten minder tijd betekent?
  10. Zet de zaken op zijn kop: Keer de vraagstelling om tot foute antwoorden, keer onderwerp en lijdend voorwerp om of keer vrij om. Probeer ook eens om slechte ideeën te vinden. Misschien zijn ze wel een goed idee. Of misschien kan je ze gebruiken als inspiratie voor hoe het wél moet.
  11. Speel met het perspectief: Het tijdsperspectief (kijk naar verleden en toekomst) of speelse perspectieven (verplaats je in een persoon of een voorwerp). Hieronder vind je twee voorbeelden en een lijst met mogelijke perspectieven.

Voorbeeld 1: Geert Hoste
Mogelijk perspectief: Humor
Inspiratie: Kan je je probleem oplossen met humor? Zou het helpen om je product grappig te maken? Kan je mensen lokken met humor?

Voorbeeld 2: een ballonvaarder
Mogelijk perspectief: hoogte
Inspiratie: Leg je de lat hoog genoeg? Leg je de lat té hoog? Kijk naar je onderwerp vanuit de hoogte. Hoe ziet het globale beeld eruit? Wat zie je als je details weglaat? Zijn die details noodzakelijk?

Perspectieven

Plaatsen
China
Japan
op een top van een berg
onder water

Processen
zonder geld
op 10 minuten tijd
op een jaar tijd

Producten 
Langer/korter
Doodgewoon, zonder speciale eigenschappen
Kleiner/groter
Onbestaand
Dunner/dikker
andere vorm

Personen
een 5-jarig kind
Marilyn Monroe
een landbouwer
Donald Duck
Spiderman
een oude, wijze man
Lucky Luke
een blinde
Pippi Langkous
een ridder
een acteur
de paus
je grootmoeder
een professionele danser
Barack Obama
een arme
een tovenaar
je beste vriend(in)
Goedele Liekens
Markske van F.C. De Kampioenen
een visser
de drugsbaron Pablo Escobar
Koning Filip
een journalist
een 12-jarige
Herman Brusselmans
een slager
je grootvader
een Japanner
Vincent Van Gogh
een neanderthaler
een dove
de wereldkampioen schaken
Lady Diana
je moeder
de luie smurf
een geest uit een olielamp
een ninja
Mark Zuckerberg
een auteur
Moeder Theresa
een elektricien
een Amerikaan
Sneeuwwitje
de boze smurf
een goedaardige heks
een fotomodel
je vader
Mozart
een dronken man
een vampier
Albert Einstein
Adam/Eva (eerste mensen op Aarde)
de hond Samson
je baas
Brad Pitt
een cameraman
Frank Deboosere
een mentaal gehandicapte
de Dalai Lama

De zes denkhoeden

Discussiëren is inefficiënt omdat er vooral negatief gesproken wordt en niet constructief (Indigo, 2008). Daarom ontwierp Edward De Bono in 1985 de zes denkhoeden. Deze techniek is zeer efficiënt en kan gebruikt worden door iedereen, van kleuters tot topmanagers (Indigo, 2008). Elke hoed stelt een manier van denken voor. Wie de witte hoed opzet, is objectief en denkt in termen van cijfers en informatie. De rode hoed staat voor gevoelens. De positieve denker wordt vertegenwoordigd door de gele en de criticus door de zwarte. De groene denker is het voorbeeld van creativiteit. Ten slotte houdt de blauwe hoed zich bezig met de organisatie van het gesprek (Indigo, 2008; Creatief Denken, 2012). Door de deelnemers een bepaalde hoed op te zetten, kan het onderwerp beter onderzocht worden. De methode gebruikt parallel denken: de gesprekspartners kijken in dezelfde richting, maar de richting kan veranderen (Indigo, 2008).

Onderbewustzijn

Goede ideeën komen vaak op ongelegen momenten. Als je zit te staren naar een wit blad in de hoop het vol te kunnen schrijven met geniale ingevingen, is de kans klein dat je hierin slaagt. Maar ongetwijfeld merk je wel hoe er een roodborstje op je vensterbank komt zitten. Je beeldt je in dat je zelf een vogeltje bent, vrij van zorgen. Wanneer je wakker schiet, doe je een nieuwe poging om je te concentreren. Tevergeefs. Maar ‘s avonds kan je niet slapen omdat je hoofd vol zit met inspiratie. Hoe komt dat toch?

Het komt erop neer nieuwe concepten te creëren door bestaande te combineren. Een boom zou je bijvoorbeeld kunnen inspireren om een nieuwe structuur te geven aan een rapport. Onbewust combineer je nieuwe ervaringen met bestaande gedachten. Op dat moment gaat het lampje branden. Dit is de reden waarom geniale ingevingen niet altijd gelegen komen: ze ontstaan pas wanneer de juiste gedachten samenkomen. En dat gebeurt vaak wanneer je er even niet naar op zoek bent.

‘Think outside of the box.’ Als je gewoonlijk nadenkt terwijl je neerzit, probeer dan eens recht te staan. Of te liggen. Of te hangen. Het klinkt misschien belachelijk, maar het kan echt helpen. Test ook je zintuigen. Ben je eerder visueel ingesteld, kijk dan naar foto’s of grafieken. Leer je beter auditief, beluister dan podcasts over het thema waaraan je werkt. Of combineer beide zintuigen: het internet staat vol met al dan niet leerrijke filmpjes. Misschien helpt het ook om juist zintuigen te gebruiken die je niet vaak stimuleert. Heb je nood aan persoonlijk contact? Vraag dan naar iemands mening of inzicht. Je zal ervan versteld staan wat er kan veranderen als je iets benadert vanuit een ander perspectief. Er is dus niets mis met dagdromen. Kijk gerust naar de vogeltjes. Wie weet brengen ze jou naar een goed idee.

Advertenties